HOGE RAAD 14 JUNI 2013 LJN: BZ3749 (WOEKERPOLIS)


De rechtsvraag:

In hoeverre is door de verzekeraar in het verleden een te hoge premie gevraagd voor de overlijdensrisicoverzekering?

De uitspraak:

Verzekerden hebben een spaarpolis  afgesloten met de verzekeringsmaatschappij. Aan de spaarpolis was een overlijdensrisicoverzekering gekoppeld. De voor belegging beschikbare premie werd beïnvloed door de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering. De Hoge Raad is (met het Hof) van oordeel dat de overeenkomst met betrekking tot de hoogte van de premie voor de overlijdensrisicoverzekering een leemte vertoont, waardoor onvoldoende duidelijk is of er wilsovereenstemming is. Deze leemte moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden ingevuld. Bij de beoordeling van de redelijkheid wordt aangesloten bij de aanbevelingen die zijn gedaan door de Ombudsman Financiële Dienstverlening.

Het beroep op verjaring dat door de verzekeraar wordt gedaan, wordt door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad acht de uitspraak van het Hof een verklaring voor recht met betrekking tot de wijze waarop de leemte in de overeenkomst moet worden opgevuld. Deze verklaring heeft geen betrekking op vorderingen tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, zodat een verjaring daarvan niet aan de orde is.

Conclusie:

Een zeer duidelijke uitspraak van de Hoge Raad in de “woekerpolisaffaire”. In de onderhavige casus spitst dit zich niet toe op de kosteninhoudingen in het algemeen, maar specifiek op de premie die in rekening is gebracht voor overlijdensrisicoverzekeringen. Het arrest maakt duidelijk dat de consument aan het langste eind trekt als de overeenkomst of onderdelen daarvan niet voldoende duidelijk zijn voor de consument. De betrokken verzekeraar mag de portemonnee trekken. Ook voor andere gedupeerden zal het gemakkelijker worden om schadeloosstelling te vorderen indien sprake is van een woekerpolis.